top of page
Search
  • Anne Wislez

Duivels plannetje



‘We moeten eruit…!’ Hoe zeer we ook genieten van de stilte in de prachtige streek rond Orval – die niet voor niets de Gouden Vallei heet – toch willen we af en toe ook wat beweging zien. Dus bezoeken we om de dag wel een dorp of stadje hier in België of net over de Franse grens. Gisteren reden we naar Stenay, een van de vroegere hoofdsteden van het oude Austrasië, een land uit de Frankische en Merovingische tijd dat delen van het huidige België, Nederland, Frankrijk en Duitsland innam. Die tijd boeit ons overigens mateloos, maar dit even terzijde. Het stadje Stenay heette vroeger trouwens – om een of andere duistere reden – Satanacum. De duivel hangt nog als boegbeeld op het stadhuis. Maar verder straalt het stadje, net als heel wat kleine steden en dorpen hier in Noord-Frankrijk, zelfs op een hoogzomerse dag een enorme verlatenheid uit. Prachtige, oude panden liggen er leeg en verwaarloosd bij, soms bijna op instorten, huizen die je in je verbeelding zo zou omtoveren tot prachtige locaties, kunstwinkeltjes en cafeetjes…

Als we iets gaan drinken op het enige terrasje dat op deze vroege woensdagavond open is, symboliseert aan het tafeltje naast ons een gezin de tristesse van dit gebied. Vader – waarschijnlijk werkloos – geniet van zijn pintje zonder ervan te genieten, want wat een genotsmiddel was om een deugddoende werkdag af te ronden onder vrienden, is een noodzaak geworden. Moeder die vroeger vast een mooie jonge vrouw was, dat zie je aan de lijnen onder haar afgematte trekken, is teleurgesteld in het leven en sleurt haar verwaarloosde lijf door de dag. Dochtertje heeft nog een frisroze kijk op het leven en droomt van alles wat ze op tv ziet, maar als ze aan het terrastafeltje spontaan een liedje begint te fluiten, wordt ze door haar moeder het zwijgen opgelegd met een stille: ‘Tais-toi!

Naast ons twee wat oudere mannen met stoppelbaard die zich ook aan hun pint vasthouden, maar ergens toch nog een stukje houvast vinden aan elkaar. Ze ontmoeten elkaar waarschijnlijk elke dag op dit terrasje om de laatste ledigheden van de dag te vertellen. Een jonge zwarte jongen zit op z’n eentje op een stoep, en de hipste kerel van het dorp met gescheurde jeans loopt wat doelloos voorbij. Verder zijn de straat zonovergoten leeg.

Ik sluit mijn ogen en voel de pijn die in dit stadje hangt. De leegheid. Het gebrek aan zin, samenhang, creativiteit. Aan leven.

Ik sluit mijn ogen en voel de pijn die in dit stadje hangt. De leegheid. Het gebrek aan zin, samenhang, creativiteit. Aan leven. Het lot van vele dorpen waar de kleine middenstand niet langer gedragen en ondersteund wordt, zoals dat in Frankrijk pijnlijk zichtbaar wordt. Een ruim land waar buiten de hoofdsteden weinig werkgelegenheid meer is, waar mensen elkaar niet meer kunnen aanzetten tot meer. Wat zijn we als mens als we onze creativiteit niet meer kunnen inbrengen in een gemeenschap?

En toch heeft zo’n dorp niet zoveel nodig, denk ik dan. In mijn verbeelding zie ik een goedlachse dynamische vrouw met wat mensenkennis en therapeutische kwaliteiten een cafeetje openen hier… Ze pakt gewoon zo’n hoekhuis aan met een paar handige vrienden, met recyclagemateriaal desnoods, schildert de oude luiken turkoois en de terrasstoelen en –tafeltjes in een mix aan frisse zuurtjeskleuren, zet wat caraïbische muziek op of goeie Belgische pop. Bakt bananenbrood en appelcake, mixt frisse salades en squeezt verse sapjes, bedenkt enkele smeuïge koffies en een uitgelezen assortiment biertjes voor de liefhebbers. Wat een invloed zou zo één dynamische bron kunnen hebben op zo’n dorp, bedenk ik me. Als mensen bij het bedienen of aan de toog weer aangesproken zouden worden, weer bij naam gekend. Als er gesprekken zouden ontstaan over waar ze van dromen en wat hun talenten zijn – of waren voor het allemaal verloren ging. Als ze door de hartelijke vrouw aangespoord zouden worden om eens iets creatiefs voor haar te doen, meehelpen schilderen of timmeren bijvoorbeeld, of een eigengebakken taart in haar etalage leggen. En als ze daardoor misschien aangezet zouden worden om zelf iets te beginnen, iets waar het dorp nood aan heeft. Zoveel mooie panden, denk ik dan. En zoveel mensen die iets willen betekenen. Zo’n dorp leent zich er gewoon toe.

Eigenlijk zijn dat de ware leiders waar we nood aan gaan hebben, bedenk ik me. Mensen die niet per se willen leiden, maar die de tekorten zien.

Eigenlijk zijn dat de ware leiders waar we nood aan gaan hebben, bedenk ik me als ik mijn ogen weer open. Mensen die niet per se willen leiden, maar die de tekorten zien. Mensen die van wanten weten, die van mensen houden en vreugde kunnen brengen. Mensen die elkaar kunnen aanzetten om iets toe te voegen, creatief aan de slag te gaan, en weer in zichzelf te gaan geloven. Mensen die niet bang zijn voor donkere zones, maar die krachtig en resoluut leven kunnen zetten naast een groeiende doodsheid. Ik ben er zeker van dat er tal van dit soort grote leiders zijn die zich nu nog thuis zitten af te vragen wat ze toch zouden kunnen toevoegen aan deze gekke wereld.

Pour la petite histoire… In het bos naast dit stadje is ooit, lang lang geleden, de laatste barmhartige Merovingische koning Dagobert II neergestoken door jaloerse hofmeiers die de macht wilden. Daarmee stierf het geslacht van de Merovingische koningen uit. Misschien komt de naam Satanacum toch ergens vandaan, maak ik de bedenking als we weer naar huis rijden. Uit een duister plekje waar leiders geen liefde meer voelen voor het volk, maar vooral geld, eigenbelang en eigen macht willen dienen – of denken te geloven dat ze echte leiders zijn, maar ondertussen vastlopen in hun eigen innerlijke demonen die ze op een ander uitwerken.

Het wordt dringend tijd dat een paar jolige cafévrouwen dit soort duiveltjes verjagen.

247 views0 comments

Recent Posts

See All
bottom of page